|
Iedereen die een beetje met wereldbeschavingen in aanraking is geweest, weet dat Egypte de bakermat was van een grote cultuur. 7000 jaar geleden wisten de oude Egyptenaren reeds van het bestaan van verschillende edelstenen: zo kenden ze lapis-lazuli dat werd verkregen door handel met het huidige Afghanistan, en peridoot dat op het eiland Zeberget werd gewonnen.
Van een papyrus uit de tijd van farao Sneferu (4700 v.C.) is het zgn. Baufra's sprookje gekend. Het gaat als volgt:
Op een dag was de koning ontroostbaar en voer, op aanraden van Zazamankh de tovenaar, op een prachtige boot op het meer bij het paleis. De bemanning bestond uit 20 mooie blonde jonge meisjes en hij was verrukt bij het zien van deze roeiende schoonheden. Maar opeens verloor één van de meisjes een prachtig turkooisjuweel uit heur haar en het viel in het water. Zij weigerde zijn troost voor dit verlies. Toen de tovenaar zag dat de koning nijdig werd over dit voorval, sprak hij een toverwoord en het water van het meer opende zich zodat het juweel kon worden opgeraapt. De koning was zeer tevreden over de kunsten van de tovenaar.
In een andere tekst, waar een hymne voor de god Ra beschreven staat, word de kleur van water vergeleken met turkoois.
Turkoois kwam uit de Sinaï en werd onder meer gebruikt voor versieringen in het graf van Tut-Anch-Amon. Dit is het enige graf van een farao, een god geworden koning, dat ongeschonden kon geopend worden en dat schitterende stukken bevatte. Een bezoek aan het museum in Caïro is dan ook een aanrader! Talrijk zijn echter juweeltjes en kettingen die, in de loop der tijden, her en der werden opgegraven. De bekendste vondst dateert uit 1900 en werd gedaan door Petrie in de koningsgraven van Abydos, Opper-Egypte. Bij graafwerken in de tombe van koning Zer, die de tweede heerser was in de eerste dynastie, werd een arm gevonden van de koningin. Na het verwijderen van de windsels kwamen vier gouden armbanden met edelstenen te voorschijn: de oudste groep juwelen ter wereld. Zij bevatten turkoois dat met een zaag, boor en graveerstift bewerkte was. Een andere armband bevatte, naast turkoois, ook een amethistbol met diepe kleur. De derde armband bevat kralen van turkoois en lapis-lazuli, terwijl de vierde bruine schalie en turkoois bevatte.
In 1905 werd in Abusir el-Meleq een halssnoer gevonden met karneool, schelp, turkoois, granaat en amethist in afzettingen uit de periode van ± 3500 v.C. Groene turkooizen zijn gekend uit de periode van de Ptolemeën. Petrie vermeldt als de meest gebruikte mineralen in het oude Egypte:
kwarts, amethist, agaat, karneool, turkoois, lapis, hematiet en serpentijn.
Op het gebied van oorsprong-herkenning van deze stukken is er nog weinig studie verricht. Met de moderne middelen zou dat perfect kunnen (bv. Raman).
In de recente geschiedenis, na één van de Egyptisch-Israëlische oorlogen, kwam het hele Sinaï schiereiland in handen van de Israëli's. Zij begonnen deze streek, die voor hen zo belangrijk was vanwege haar bijbelse historie, grondig te exploreren. Op deze wijze werden een aantal vindplaatsen en archeologische sites terug in de openbaarheid gebracht. Wat er daarna gebeurde was minder fraai, want sommige belangrijke stukken werden gewoon overgebracht naar Jeruzalem en later, op aandringen van Egypte, terug op de originele plaatsen gezet. Ook de turkooismijnen werden op die manier herontdekt en zijn bereikbaar gemaakt voor sportieve toeristen die niet wars zijn van wat fysieke inspanning. Het zijn de oudst gekende turkooismijnen ter wereld. De site ligt in een wondermooi gebied en is geen echte klassieke duinwoestijn zoals iedereen zich een woestijn voorstelt.
Het zuidelijke deel van de Sinaï is zeer bergachtig en woest en bevat talrijke plaatsen uit de bijbelse geschiedenis toen Mozes met zijn volk Egypte was ontvlucht en door de woestijn dwaalde. Het meest belangrijke is het wereldberoemde klooster van St.Katharina aan de voet van de Gebel Musa of Mozesberg waar, volgens de bijbel, Mozes de tien geboden ontving. Op onderstaande kaart kan je linksboven het Suezkanaal zien. Het zuidelijke deel is duidelijk meer bergachtig dan het noorden en bevat als uiterste zuidpunt het door duikers zo gekende Sharm el Sheik nationaal park met zijn prachtige koraalriffen en uitzonderlijk zeeleven. Buiten het Katharinaklooster is de Sinaï gelukkig nog weinig gekend door het toerisme. | |
|
|  | |
|
HHet Sinaï schiereiland bestaat uit een driehoek die met de punt naar beneden wijst. Men kan deze in drie grote blokken onderverdelen.
Het eerste situeert zich in het noorden en bestaat voornamelijk uit duinen enquartaire afzettingen. Zij zijn verbonden aan de oude Wadi's (nota: denk aan water, waden en wad) of rivierbeddingen die soms, na een uitzonderlijke hevige regenbui, terug water bevatten. Daarbij zijn er de fossiele stranden van de Middellandse zee die gevormd werden door het wisselende niveau tijdens de periode van het glaciaal en interglaciaal. Het landschap is vrij vlak en in het zuiden onderbroken door kalkafzettingen uit het Krijt (60 milj.jaar). Langs de golf van Suez strekt zich dan nog een strook uit van quartaire koraalafzettingen.
In het tweede, centrale deel zijn de quartaire afzettingen onderbroken door vele kalkafzettingen uit het Tertiair (Eoceen) en vormt er het hoogland van El-Thi. Dit centrale deel is naar het zuiden toe afgeschermd met grote afzettingen uit het Krijt.
De punt van het schiereiland is compleet anders en zeer bergachtig, we krijgen nu graniet en basalt die beide tot het magmatische type van gesteenten behoren. Zij zouden door vulkanische activiteit op de oceaanbodem zijn gevormd gedurende het Precambrium(zeer oud dus). De Mozesberg behoort hiertoe en is 2642 m hoog. | | |
|  | |
| Site van de ruines van Serebit |
Turkoois is een fosfaat met als formule: CuAl6(PO4)4(OH)8.4(H2O). Soms is het koper gedeeltelijk vervangen door zink of ijzer, wat kleurverschillen kan veroorzaken.
De vorming van het mineraal turkoois kan teruggebracht worden naar drie types waar we niet verder op ingaan. De afzettingen van de Sinaï behoren tot het derde type. Limoniethoudende zandsteen wordt, ofwel door doorsijpelend oppervlaktewater, ofwel door migrerend grondwater uitgeloogd. Alumina, fosforzuur en koper zouden aldus op bepaalde plaatsen een afzetting vormen. Het alumina zou van kleimineralen kunnen komen, het koper uit fijn verdeelde kopermineralen in het sediment. Fosforzuur zou ofwel van organische oorsprong zijn ofwel afkomstig van apatiet.
Al Tifaschi in de dertiende eeuw beschreef reeds dat turkoois ontstaat door het opstijgen van koperdampen uit het moedergesteente, wat eigenlijk nog zo geen slechte benadering is voor de term hydrothermaal. Berthelot geloofde dat de turkooisafzettingen gevormd werden door percolerend regenwater. De Launey dacht dat geoxideerde koperafzettingen gereageerd hadden met fosforzuur, afkomstig van de zandsteen. Petrie dacht dat bacteriën in de zandsteen op het ogenblik van zijn vorming voor het fosforzuur hadden gezorgd.
De beschrijving van de geologische lagen op de turkooisvindplaatsen is als volgt: Basis is rode zandsteen die omgeven is door granietbergen. Een dunne ijzerhoudende laag vormt de scheiding tussen een 6m dikke onderlaag van purperkleurige koolstofhoudende zandsteen en een 140 m dikke bovenlaag van lichter gekleurde Nubische zandsteen. De nabijgelegen heuvels zijn bedekt met een basaltlaag uit het Tertiair en de turkooislaag situeert zich juist onder het ijzerhoudende laagje waarbij de purperbruin gekleurde plaatsen het meest productief zijn.
De beste stenen komen op dit ogenblik van de mijn Yahudia die af en toe door bedoeïenen wordt bezocht. |
|  | |
| Serebit Site |
Rond de periode van het zesde millennium voor Christus was er een migratie van stammen richting zuiden. Zij hielden halt telkens er een winbare plek gevonden werd. De Egyptische koningen kwamen op de hoogte van deze rijkdom en zonden expedities uit om de plaatselijke stammen, de Monitu, te onderwerpen of te verdrijven. Het hele gebied werd Mafkat of het land van de turkoois genoemd. Het woord Mafkat zou in het huidige Egypte alle groenblauwe stenen omvatten (malachiet, turkoois, chrysocolla en smaragd) wat in de praktijk nog altijd zo is, want in de plaatselijke soeks maakt men nu nog geen onderscheid. In de Sinaï echter zou Mafkat ofwel turkoois ofwel malachiet betekenen.
In de periode van de Timna-cultuur (3500 v.C.) was er een bloeiperiode voor de koperwinning en de mijnwerkers ontgonnen ook turkoois, vooral in Serabit el-Khadem. De farao's van de eerste dynastieën kregen belangstelling voor de Sinaï en de eerste kolonisatie vond plaats in de Thinite-periode (2920-2575 v.C.). Vanaf het begin van het derde millennium werden expedities uitgezonden om systematische ertsontginningen te doen in Wadi Marghara (plaats van de holen). Op die plaats werd een beeltenis gevonden van farao Sekhemkhet die wijst op de eerste Egyptische aanwezigheid in de Sinaï. Vanaf dan zal de turkooiswinning een monopolie worden van de farao. De ontginning kende een piek in het Middenrijk en liep voort tot in het Nieuwe Rijk. Als laatste aanwezigheid vindt men in Serabit Ramses VI (20e dynastie). Van de tijd van Ramses III weet men dat er een hoogtepunt was. Blijkbaar was er geen doorlopende aanwezigheid van de Egyptenaren in dit desolate land, en alles wijst er op dat er af en toe expedities werden uitgezonden om werkkampen op te richten in de nabijheid van de mijnen. De grootste activiteit was echter in het rijk van Amenemhat III van de twaalfde dynastie, en uit die periode dateert een enorme slakkenhoop in Bir Nasib in de nabijheid van Serabit, waar naar schatting 100.000 ton afval ligt afkomstig van de koperwinning.
De Egyptenaren waren grote organisators(zie constructie piramiden) en de zorgvuldig geplande expedities naar deze barre streken geven een goed inzicht in hun manier van werken. Er was een doorgedreven taakverdeling en aan het hoofd stond steeds een ambtenaar met ervaring. Tijdens de jaarlijkse Nijl-overstromingen werden expedities van 400-500 man uitgezonden voor verschillende maanden en voordat het warme weer begon, kwamen ze terug naar hun moederland. Zij schreven in de rotswanden hun bevindingen op die we nu nog kunnen lezen. Zij hadden er nooit een permanent garnizoen en soms gingen jaren voorbij eer de volgende ploeg arriveerde. De arbeiders verbleven in stenen hutten en hun voorzieningen kwamen uit Egypte. De plaatselijke bevolking werd voor het ruwere werk gebruikt (slaven?) en men gebruikte koperen beitels en stenen hamers. De bovengehaalde brokstukken werden verbrijzeld in basalten vijzels waarbij het turkoois met de hand werd uitgesorteerd. De bijmineralen van koper en mangaan werden verder gebruikt voor het maken van glazuren. | | |
|  | |
| Tempel van Serabat |
| Na het begin van onze jaartelling werd het zeer stil in de streek, en het was Mohammed Ibn Mansoer die in 1300 schreef dat de rijkste turkooismijnen deze van Isaac waren omdat werd verondersteld dat ze werden geopend door Isaac, zoon van Abraham.
De ruines van Serabit werden in 1762 ontdekt door Niehbur die was uitgezonden door de koning van Denemarken. In 1828 werd dan het eerste turkoois ontdekt door Laborde. Tot in 1848 is er geen nieuws tot majoor MacDonald, een cavalerieofficier en eenzaat, meende dat er een kapitaal te verdienen was door de oude mijnen weer in gebruik te nemen. Hij keerde naar Londen terug met een hoeveelheid turkoois waar hij op een tentoonstelling in 1851 een vermelding kreeg. Hij keerde in 1854 terug met plannen voor een lang verblijf aldaar. Met de hulp van de plaatselijk bedoeïenen en met springstof werden mooie stukken bovengehaald die in Londen goede prijzen maakten, tot men ontdekte dat de kleur niet stabiel was. De latere zendingen werden per opbod verkocht voor veel lagere prijzen. De bedoeïenen ontdekten dat de mooiste stenen in Caïro en Suez goede prijzen haalden, en alzo verdwenen waardevolle stukken tijdens de ontginning. Na 12 jaar werken verliet MacDonald zijn mijnen en kwam naar Caïro waar hij in 1870 stierf als een ontgoocheld en geruïneerd man. De grote collectie in het British Museum is te danken aan zijn arbeid. In 1870 bezocht Lord de streek en vond dat de bedoeïenen sporadisch turkoois ontgonnen en daar goed geld mee verdienden in Caïro. In 1902 was er een Engelse onderneming die probeerde turkoois te winnen met grove middelen. Zij vernielden een groot aantal inscripties en moesten ook onverrichterzake stoppen. Nadien keerde de rust in de streek weer zodat de plaatselijke stammen weer af en toe hun steentje konden kappen. | | |
|  | |
| Inscripties bij de ingang van de tempel van Serabat |
Op dit ogenblik kan je met jeeps en deskundige gidsen uitstappen maken in het ganse gebied. De tempel van Serabit zelf kan bereikt worden via een prachtig bergwegeltje dat je enkele richting wel drie uur zweet vraagt. Op een hoogte van 850 m in een schitterend landschap kan men dan de oude mijningangen vinden. Het gesteente dat hier aan de oppervlakte komt is zandsteen en lagen schist, rijk aan turkoois. De mijnen zijn te vinden in een cirkel van 1.2 km en hebben meestal een mooi bewerkte ingang met inscripties die bewijzen wie de eigenaar was en wie de farao op dat moment. Er zijn gangen gekend met een diepte van meer dan 70 m en met verluchtingsschachten. De meeste dateren uit de periode van het Middenrijk. Er is op dit ogenblik echter geen spoor meer te vinden van enige kopermineralisatie, laat staan van turkoois. Bij de plaatselijke bedoeïenen is het mogelijk nog kleine stukjes turkoois te kopen. Meestal zijn die dan verpakt in een overjaarse vieze zakdoek en in gezelschap van geslepen stenen zoals glas, plastiek en synthetisch robijn (ook daar al).
Een ander mijngebied uit de twaalfde dynastie ligt NW van de tempel rond Wadi Dhaba. | | |
|  | |
| Godin Hathor |
De tempel van Serabit was oorspronkelijk gewijd aan de god van de oostelijke woestijn, later, in de twaalfde dynastie, gewijd aan de godin Hathor. De naam Hathor is een Griekse verbastering van Het-Hert (het huis daarboven) en Het-Heru (het huis van Horus, de valkgod en zoon van Isis en Osiris). Beide woorden verwijzen ook naar de hemelgodin. Het is bewezen dat Egyptenaren en Semitische volkeren hier dezelfde goden aanbaden en daarom zouden de mijnen niet door slaven zijn ontgonnen. Hathor was de koegodin die stond voor alles wat plezant was: dans, drank, gezang, vruchtbaarheid en liefde. Later werd ze plaatselijk The Lady of Turquoise genoemd. We stellen in vraag of, in vergelijking met de goldrushkampen 100 jaar geleden, er ook geen vrouwelijke aanwezigheid was om de mijnwerkers van dienst te zijn, vandaar Hathor. In Bir Nasib kan je dan de enorme slakkenhoop zien die gevormd werd uit de ertssmelting. Vanwaar het hout kwam om de ovens te bevoorraden is een vraagteken, het land is nu zo goed als boomloos. Misschien was het nog in de periode dat er meer regen viel in de Sahelstreek en er meer begroeiing was. Afgezien van de bloeiperiode enkele duizenden jaren geleden is er uit de mijnen van de Sinaï weinig of geen turkoois meer gekomen. Sinds 1855 worden nog sporadisch stenen aangeboden die door plaatselijk bedoeïenen worden opgedolven. Ze zijn echter minder mooi dan de Iraanse en Amerikaanse. | | |
|
In het oude Egypte kende men reeds het bestaan van een blauw glazuur dat men mafkat (turkoois) noemde.
Mohammed Ibn Mansoer (1232-1311) beschreef in 1300 reeds drie vervalsingen: een glaspasta, andere kopermineralen met een blauwe kleur en boreizeh of Chinese pasta. Hij wist reeds te beschrijven dat het eenvoudig was om een originele steen van de rommel te onderscheiden. Er waren volgens hem zeven variëteiten turkoois volgens hun hardheid en kleur, en de beste werd genoemd Abu Ishaq of de vader van Isaac = Abraham. Dezelfde Ibn Mansoer schreef ook al dat de kleur kon worden verbeterd door inwrijven met schapenvet of boter. Zo zien we dat oliën van edelstenen al zeer oud is. Ook het in de mond houden van turkoois zou de kleur verbeteren (vochtig houden geeft dit effect altijd).
In het gemmologisch handboek uit de dertiende eeuw van Al Tifaschi staat voor de éérste maal beschreven wat bv. kunstmatige stenen (ahdjar mudallasa, masnu'a) en pleochroisme (ikhtilaf al sibgh) zijn. Hij beschreef reeds 25 gekende edelstenen en de ons zo gekende gewichtsmaat als karaat staat als Qirat of kirrat opgeschreven. Zelfs warmtebehandeling (Mu'alaja bil'nar) en de streepkleur (hukaka) was gekend. Al Tifaschi wist reeds dat koper het kleurende element was in turkoois en zelfs dat ijzer voor de purperen kleur van amethist staat. Hij beschreef tevens een goede kwaliteit turkoois (Bushaqi) dat zuiver blauw is, hoge glans en gelijke verdeling van de kleur heeft. De mindere kwaliteit is dan qadjandji. Ook het feit dat lichaamsvetten en zweet de kleur kunnen wijzigen was hem bekent. In de middeleeuwen maakte men in de Arabische wereld geen onderscheid tussen echt en synthetisch. Zij noemden echte stenen makhluq wat natuurlijk wil zeggen. Alle andere werden dan masnu'u, mudallas of maghschusch genoemd wat hetzelfde is als bedrog, vals, door de mens gemaakt.
Thomas Nicols schreef in 1653 dat de Venetianen turkoois imiteerden met blauw glas. | | |
Literatuur
- Arab roots of gemology, Ahmad ibn Yusuf Al Tifaschi.
- Guide to exploration of the Sinai, Alberto Siliotti.
- Lapis Jg.20, 1, Jan.1995, 9, Steckbrief Türkis.
- Turquois, J.Pogue.
| | |
|